Lovely = charmant, bekoorlijk, aimabel, leuk, aangenaam, behaaglijk, prettig, plezierig, fijn, plezant, aardig, bevallig, liefelijk, mooi, goed ogend, attractief, fraai, knap, welgevallig, lieftallig, snoeperig, schattig, allerliefst.
| ma | di | wo | do | vr | za | zo |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 1 | 2 | 3 | 4 | |||
| 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 |
| 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 |
| 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 |
| 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 |
Lovely = charmant, bekoorlijk, aimabel, leuk, aangenaam, behaaglijk, prettig, plezierig, fijn, plezant, aardig, bevallig, liefelijk, mooi, goed ogend, attractief, fraai, knap, welgevallig, lieftallig, snoeperig, schattig, allerliefst.
En op een dag lig je op een roestvrijstalen schaal. Omringd door toastjes temidden van een kring met mensen die hun verplichting uitzitten. De smaak van je oude, versleten vlees maakt de avond tot net iets meer dan dat het is: een zoveelste saaie verjaardag. Je wordt vermorzeld tussen tanden, samen met wat roomkaas en een rode ui. Je bent gerookt en in rook ga je op. Maar gelukkig niet vandaag.
Ze glijden tussen mijn vingers door, die paar witte haren, tussen ontelbaar veel haren, die paar witte haren veraden hoe oud jij bent. Jij hoest, ik krimp, jij zucht en ik....
Alsjeblieft niet vandaag denk ik als ik de hoek om fiets. En jij staat daar met je neus in de wind. Zoals altijd. Maar een keer zal de laatste keer zijn. Gelukkig niet vandaag.
Het afscheid was al genomen. De kramp in mijn hart, de diepe zucht. Tijd gaat voorbij en ik kon alleen maar lijdzaam toezien hoe de zon steeds langer onder bleef dan boven. Zomerse kleding lag klaar om muf te worden achterin een kast. Knellende schoenen ontnamen mijn voeten de vrijheid. Opgesloten in dikke lagen textiel, ik had het afscheid al genomen.
Het afscheid was al genomen. Lang geleden stierf het gelach uit. De vriendschap verdween als mist voor de zon. Langzaam, de reden waarom al vergeten. Het missen werd gewenning, gewenning werd vrede. De vrede vergat ik. Het afscheid ook.
Vandaag, in een bos op een dag achter in september vond ik de zomer en een vriendschap terug.
We liepen in rijtjes van twee, verplicht hand in hand. Een handruk die je beschermde tegen al de nachtmerries die zoeken naar de dromen van je ouders diep in de nacht. En soms ook overdag. Kinderverkrachters, auto-ongelukken en vieze mannen die dingen met potloden doen. ‘Hou elkaars hand vast want anders......’ Vul zelf maar in. We liepen van onze school naar de gymzaal. Op de heenweg had ik hem al gezien en de hele gymles bleef hij in mijn hoofd hangen. Hangend in klimrekken, spingend over de kasten liet hij me niet meer los. Zoals gewoonlijk werd ik als laatste gekozen voor trefbal. Ditmaal kon het me niets schelen. Ik was in de ban. Ik smeedde plannetjes over hoe ik hem de mijne kon maken. Over hoe ik straks die hand los kon laten en de grote boze wereld in kon duiken om mijn wens te vervullen. De zenuwen gierden door mijn lijf. ‘Gewoon doen’ dacht ik, ‘gewoon doen, dat is toch wat hij tegen me zegt?'
En ik deed het. Ik wurmde me los, schoot uit de rij en trok met een voorzichtige snelheid de poster van de muur. Zorgvuldig rolde ik hem op en stopte hem in mijn tas, bij mijn vochtige gymkleding. Toen ik die avond ging slapen hing hij boven mijn bed. Een groot, blij konijnenhoofd met daaronder de tekst: gewoon doen!!!
Het is maandagavond en zoals elke maandagavond om 21.30 denk ik: Johan Derksen & co, over "De Voetballerij” moet je niet uren lang gaan zitten zemelen met je semi-interessante kop. Voetballen met je GEWOON DOEN!!!!!!!
Ze glijden als naaktslakken over je huid. Knijpend, strelend, knedend. Je billen je borsten. In het donker wanen ze zich meester over je lichaam. Je krimpt. Jij bent van hun. Jij zegt: blijf van me af. Zij zeggen: vuile hoer. Het is de omgekeerde wereld. De wereld van dronken mannen handen in dronken kroegen. Je vraagt je af of ze spijt zullen hebben. De volgende dag met hun stinkende droge bek en een pijnlijk bonken in hun kop, uitgegeild in bed. Michael Jackson
Een hok, een licht, een televisie. Daarnaast een hok, een licht, een televisie. Daarnaast een hok, een licht, een televisie. Rijen huizen. Zittende mensen. Huiskamers gevuld met gelach, gehuil, muziek en levendigheid. Maar niet van de bewoners zelf. Het komt uit een kastje. In een cocon van werkelijkheden die niet echt zijn wringen we het leven uit onze zielen. Passief kijkend naar het leven van een ander, vullen we onze hoofden met ideeën die een ander heeft bedacht.
Als ik die rode knop niet in had gedrukt had ik hier niet gezeten. Dan had mijn haar niet geroken naar regen, mijn broek niet onder het honderkwijl gezeten. Als ik die rode knop niet had ingedrukt had niet oog in oog gestaan met een ree, zomaar ergens in het wild, onder donkere, dreigende wolken met gouden randjes van de ondergaande zon. Dan had ik niet het mooiste paard ter wereld kunnen zien galopperen door groen gras bedekt met een flinterdun laagje nevel. Ik had me niet afgevraagd waarom slakken zonder huis ’s avonds naakt over het asvalt glibberen en had ik niet gevoeld hoe de regen de eerste stukjes van de zomer wegspoelt. Als ik die rode knop niet had ingedrukt had ik de wind niet tussen mijn vingers voelen glijden toen ik door de schemer met gestrekte armen naar huis fietste. En had dit niet geschreven.
Zelf leven is zo veel fijner dan kijken naar het leven van een ander achter glas.
Ik ben ben moe.
Poes is poes.
Ik ben verdrietig.
Poes is poes.
Ik ben hyper.
Poes is poes.
Ik ben: raak me niet aan, want ik mep je in elkaar, het is DIE tijd van de maand.
Poes is poes.
Ik ben chagerijnig. To much love in my handles.
Poes is poes.
Beduusd zit poes te staren naar een vers gekotste haarbal. Heel even is poes niet poes. Maar gelukkig ben ik ik en pak een stuk keukenrol, een doekje en maak een sopje.
De deurbel gaat. Muisstil blijf ik zitten. Roerloos. Ze moeten weten dat ik thuis ben. Het raam staat open, muziek zweeft naar buiten en sterft af. De geur van verse koffie verraadt mijn aanwezigheid.
Poes is poes en schiet bij het horen van de bel vrolijk naar de deur. Zoals Pavlov het bedoeld heeft. Ik probeer haar nog leren wat te doen bij Jehova’s getuigen. Tervergeefs. Want poes is puur poes. Zonder verborgen register, zonder oordelen. Poes is poes.
Was ik maar iets meer zoals poes.
Ze zit gebogen over de tafel. Haar stem als vloeipapier zo teer. Haar kamer gevuld met verlepte orchideën en oude kranten. In een glazen vitrine staan 243 verschillende eierdopjes. ‘Allemaal zelf bij elkaar gespaard’ zegt ze, het eerste schuurtje in haar stem. ‘Die met die kipjes vind ik het mooist.’ Zonder aanleiding begint ze te vertellen en haar woorden volgen ongecontrolleerd.
Het was een lieve man, een vrolijke man, een zorgzame man. Grappig maar rechtvaardig. Eigenwijs en intelligent. Drie jaar geleden ging hij winkelen. Maar kwam terug met een pak gele vla in plaats van wc-papier. Hij vond het een goede grap.
‘En we aten nooit vla’ zegt ze.
Twee jaar gelden werd hij gebeld. De telefoniste vroeg om zijn geboortedatum. ‘Dat weet u wel!’ lachte hij haar toe door de hoorn.
‘En dat ik het niet doorhad,’ ze bonkt met haar vuist tegen haar bleke, rimpelige voorhoofd.
Eén jaar geleden ging hij een blokje om met de fiets. Hij kwam lopend terug. Gestolen. Dat was zijn verklaring. De fiets stond nog gewoon in de schuur.
‘Ik voel me zo schuldig, ik had er iets aan moeten doen,’ het schuldgevoel kleurt haar stem diep zwart.
Nu neemt ze iedere woensdag en zaterdag de taxi, naar een tehuis 30 kilometer verderop. Hij zit al klaar in de bezoekersruimte. Op zijn overhemd zitten opgedroogde druppels aardappelpuree. Zijn kruis is nog vochtig van een oude urinevlek. Ze willen hem kussen. ‘Lekker schatje, lekkere ma’ gromt hij haar hitsig toe. Ze weet niet hoe hij die woorden kent. Ze weet niet meer wie hij is zoals hij daar tegenover haar zit. Ze wil niet bij deze vreemde zitten, die nu de zuster aan het uitschelden is. Ze schaamt zich voor deze man. Hij pak haar hand vast en knijpt tot zijn knokkels wit worden. Verwilderd kijkt hij haar aan en vraagt: ‘Wie ben jij?’
Ik poets en ik boen en ik sop haar huis. Het gele vet van de deuren. De bruin aangeslagen tapleunig, de plakkende deurkrukken. Ik veeg opgedroogde muggenlijkjes van de vensterbank en gooi beschimmelde kranten weg. Ik zuig het doorgelopen tappijt. Ik dwijl het eens zo roomkleurige keukenzijl. Ik hap naar adem voordat ik de wc-deur open doe. In die weeïge lucht van uitwerpselen hangt een tegeltje met een tekst:
Van ‘t concert des levens, krijgt niemand ’n program.
Vroeger had ik twee magneetjes. Waarschijnlijk waren ze niet van mij maar van mijn broer. Of zus. Maar ik speelde ermee, dus ze waren van mij. Zo denkt een kind. Gebiologeerd door het onzichtbare drukte ik de twee cilindervormige magneetjes tegen elkaar. Ze waren niet groter dan de nagel van een duim, maar ik voelde de kracht als ik ze op de verkeerde manier tegen elkaar drukte. De verkeerde polen naar elkaar.
Ik rij naar huis. Zoete lucht van hooi en mest vullen mijn auto. Het is warm en alle kleuren schitteren als in een caleidoscoop door elkaar.
Zij waren als mijn twee magneetjes. Ik heb ze twee dikke jaren zien drukken. Met alle kracht, om maar bij elkaar te zijn. Totdat de kracht van de natuur hun geveinsde droom uit elkaar deed spatten. De kracht van de liefde sijpelde weg door de barstjes in hun bestaan. Onopgemerkt eerst. Later snel en stromend als een overvolle rivier. Ze had kunnen blijven. Ze had een leven lang kunnen drukken om het onverenigbare te verenigen. Zichzelf verliezend. Ze had in de spiegel kunnen kijken en zich af kunnen vragen of die holle blik de hare was. Ze had kunnen blijven zoals een rottend konijn langs de weg blijft liggen. Zonder ziel.
Ze stond voor mijn deur. 'Hij houdt niet genoeg van mijn'. Maar hoe kan dat nou, van een vrouw zo mooi? Dus stapte ze op. Eerst kleine stapjes. Daarna met sierlijke antilope spongen. Ze sprong haar eigen leven tegemoet.
Ik trok de deur van haar nieuwe bestaan achter me dicht opdat de zoete zomerlucht mijn auto deed vullen. Hopend, zo zoet als de rest van haar bestaan.